Enquête Monitor: De mobiliteit van de Belgen in cijfers

9 december 2019 – Vandaag stelt de FOD Mobiliteit en Vervoer het onderzoeksrapport voor van de Monitor-enquête die werd uitgevoerd in 2017 bij 10.632 Belgen. Naast het woon-werkverkeer bevat deze enquête ook cijfers over vrijetijdsverplaatsingen en de verplaatsingen van de niet-actieve bevolking zoals jongeren en ouderen. Uit de resultaten blijkt dat de auto het belangrijkste vervoersmiddel blijft, maar er zijn verschillen op vlak van regio, stedelijke of landelijke omgeving, leeftijd en geslacht.  

 
Kerncijfers 

  1. Auto op kop: 61% van alle verplaatsingen en 74% van alle afgelegde kms 

De auto blijft het favoriete vervoersmiddel voor de Belgen. 61% van alle verplaatsingen wordt afgelegd met de auto. Het aandeel van de auto wordt nog groter als we kijken naar het aantal afgelegde kilometers. 74% van alle afgelegde kilometers wordt afgelegd met de auto. De auto is dus goed vertegenwoordigd in de Belgische gezinnen: 84% van de huishoudens heeft minstens 1 auto.  

 

Ook op korte afstanden verkiest de Belg de auto. 17% van de verplaatsingen van minder dan 1 kilometer worden afgelegd met de auto. Bovendien bedraagt 18% van alle verplaatsingen met de auto minder dan 5 km.  

 

Als we vergelijken met de cijfers van vorige onderzoeken (Mobel 1999 et Beldam 2010) dan merken we dat het aandeel van de auto in het aantal verplaatsingen sinds 1999 daalt van 67% naar 61%. Toch heeft dit geen invloed op de situatie op de weg omdat in absolute cijfers het aantal verplaatsingen enkel toeneemt als gevolg van een groeiende bevolking. 

 

  1. 31% van alle verplaatsingen voor vrijetijdsbestedingen, 19% voor woon-werkverkeer 

In het onderzoek werd aan de respondenten gevraagd om voor iedere verplaatsing ook de reden op te geven.  We merken op dat alle leeftijdscategorieën een groot aantal verplaatsingen maken voor vrijetijdsbesteding: 31% van alle verplaatsingen van de Belgen zijn voor vrijetijdsbestedingen. We verplaatsen ons ook veel voor boodschappen den diensten: 25%. Ter vergelijking: woon-werkverplaatsingen zijn goed voor 19% van alle verplaatsingen.  

 

Als we het aantal afgelegde kilometers van deze trajecten bekijken. Dan stellen we slechts een klein verschil vast tussen het aantal afgelegde kilometer voor vrije tijd (18 km) en voor woon-werkverkeer (21 km). Boodschappen doen we in de buurt met een gemiddelde afstand van 10 km.  

 

  1. In de stad: meer dan 20% van de verplaatsingen gebeuren met het openbaar vervoer 

De Brusselaars hebben door het stedelijke karakter van het gewest andere gewoontes op vlak van vervoer. Hier gebeurt minder dan de helft van alle verplaatsingen (46%) met de wagen, ten voordele van het openbaar vervoer (21%) en te voet (24%). Deze trend zien we ook in andere grote steden waar meer dan 20% van alle verplaatsingen gebeuren met het openbaar vervoer. 


Als we de verplaatsingen tussen grote steden bekijken, dan zien we ook daar een groot aandeel voor het openbaar vervoer. 56% van de verplaatsingen tussen grote steden gebeurt met de trein en overstijgt dus het autogebruik (43%).  

 

Dit neemt niet weg dat het merendeel van alle verplaatsingen, namelijk 77%, gebeurt in meer landelijke zones. Voor deze verplaatsingen is de auto het belangrijkste vervoersmiddel. 

 

  1. Mannen leggen meer kilometers af en maken langere verplaatsingen dan vrouwen 

Globaal bekeken zijn mannen mobieler dan vrouwen. Ze leggen meer kilometers af en besteden meer tijd aan hun verplaatsingen. Vrouwen zitten minder dan mannen achter het stuur en rijden vaker mee als passagier. Vrouwen verplaatsen zich vaker te voet of met het openbaar vervoer dan mannen.  

 

  1. Intermodaliteit blijft marginaal 

Slechts 2% van alle verplaatsingen gebeurt met meer dan één vervoersmiddel. Bijna bij al deze verplaatsingen is de trein het belangrijkste vervoersmiddel.  

 
Methodologie 

Voor deze enquête werden 10.632 Belgen geselecteerd die representatief zijn voor de Belgische bevolking naar leeftijd, geslacht en gewest waar ze wonen. 8.000 respondenten waren meerderjarig. De overige 2.000 respondenten waren minderjarig en werden bevraagd met een licht aangepaste enquête. Deze bevraging wordt opgesplitst in 2 delen. Een algemene vragenlijst over het mobiliteitsgedrag van de betrokkene en over het bezit van voertuigen en abonnementen voor openbaar vervoer in het gezin werd aangevuld met een extra dagboek-vragenlijst waarin de respondent  gedetailleerd de verplaatsingen van de voorbije dag bijhield. 

 

FOD Mobiliteit en Vervoer als kenniscentrum voor mobiliteit 

Emmanuelle Vandamme, Voorzitster FOD Mobiliteit en Vervoer: “Dit rapport is het resultaat van een samenwerking tussen de FOD Mobiliteit en Vervoer en het Vias Instituut. Beide organisaties hebben een stevige expertise in het opzetten en voeren van studies. Dit onderzoek brengt het verplaatsingsgedrag van de bevolking in kaart. 

In een tijdperk waarin de mobiliteitsvraagstukken een steeds belangrijker aandachtspunt zijn voor burgers en ondernemingen, is het van cruciaal belang om een juist en nauwkeurig beeld te hebben van de huidige situatie. Dit laat toe om de politieke beslissingen te verduidelijken.” 

 

Documenten:

- het rapport 

-  de presentatie (PDF, 988.72 KB)