Het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-V)

De trans-Europese netwerken (TEN)

 

Het begrip TEN dook eind van de jaren '80 op in de context van de discussies met betrekking tot de oprichting van een eengemaakte markt. De TEN vinden hun rechtsgrondslag in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Deze verdragen bepalen dat de Gemeenschap bijdraagt tot de oprichting en ontwikkeling van trans-Europese netwerken die een essentieel onderdeel vormen van de oprichting van een interne markt en van de versterking van de Europese samenhang. Voor elk van de sectoren die bij de TEN (Vervoer, Energie en Telecommunicatie) betrokken zijn, stelt de Gemeenschap richtsnoeren op die vooral de prioriteiten en de te behalen doelstellingen vastleggen.

 

Het trans-Europese Vervoersnetwerk (TEN-V)

 

Sinds december 2013 werden er nieuwe richtsnoeren voor de ontwikkeling van het TEN-V bepaald door verordening nr. 1315/2013.

 

Deze nieuwe richtsnoeren voorzien in de verwezenlijking van een multimodaal netwerk op twee niveaus bestaande uit een uitgebreid netwerk (Comprehensive Network) en een kernnetwerk (Core Network) waarvan de infrastructuren aan specifieke vereisten zullen moeten beantwoorden. Het uitgebreide netwerk beslaat het volledige Europese grondgebied en moet tegen 2050 in werking zijn. Het kernnetwerk, samengesteld uit de afdelingen van het uitgebreide netwerk die een verhoogd strategisch belang hebben, moet tegen 2030 operationeel zijn en de infrastructuren van dit netwerk zullen aan striktere vereisten moeten voldoen dan die welke voor het uitgebreide netwerk zijn voorzien.

 

Bovenop deze nieuwe richtsnoeren werd voor de ontwikkeling van het TEN-V in de loop van de periode 2014-2020 een nieuw financieel kader vastgelegd in Verordening nr. 1316/2013, genaamd Connecting Europe Facility.

 

De Connecting Europe Facility

 

De Connecting Europe Facility legt het financieel kader vast voor de ontwikkeling van de TEN in de loop van de periode 2014-2020.

 

Deze verordening voorziet in een totaalbudget van 30,442 miljard euro verdeeld over drie sectoren:

 

  • 24,051 miljard euro voor de sector van het vervoer (TEN-V);
  • 5,350 miljard euro voor de sector van de energie (TEN-E);
  • 1,041 miljard euro voor de sector van de telecommunicatie.

 

De Europese Commissie zal het voor het vervoer voorziene budget (CEF-Transport programma) gebruiken om voornamelijk de projecten te ondersteunen die het mogelijk maken de ontbrekende verbindingen van het netwerk aan te leggen, de flessenhalzen weg te nemen en de informatiesystemen te ontwikkelen die een beter beheer van het verkeer mogelijk maken.

 

Deze middelen zullen worden geconcentreerd op het centrale netwerk van het TEN-V en meer in het bijzonder op de 9 corridors die in dit centrale netwerk lopen. België is belanghebbende voor drie van deze corridors:

 

 

Om een Europese financiering te kunnen krijgen, moeten de kandidaten reageren op de projectoproepen die gelanceerd worden door het agentschap INEA. Elke kandidaatstelling moet verplicht worden gevalideerd door ten minste één lidstaat van de Unie of door een andere regionale overheid die door de Unie is erkend.

 

De FOD Mobiliteit en Vervoer (hierna FOD MV genoemd) is verantwoordelijk voor de goedkeuring van de dossiers met betrekking tot de subsidieaanvragen.

 

De FOD MV en het TEN-V

 

De FOD MV coördineert de relaties tussen de Europese instellingen belast met het TEN-V, alle actoren van de vervoersector in België en de internationale organisaties waarbij de federale overheid betrokken is, zoals de corridors voor goederenvervoer per spoor. De verschillende taken uitgevoerd door de FOD MV in het raam van het TEN-V bestaan in:

 

  • de kandidaten op de hoogte houden die mogelijk een Europese subsidie kunnen genieten in het raam van de projectoproepen die door de Europese Commissie worden gelanceerd;
  • de kandidatuurdossiers betreffende de Belgische projecten analyseren en goedkeuren;
  • als tussenpersoon fungeren tussen de Europese instellingen en de private of publieke ondernemingen die actief zijn in de vervoersector en die Europese steun genieten of willen genieten in het raam van het CEF-Transport programma;
  • de juistheid controleren van de door de steungenieters aan het agentschap INEA verstrekte informatie tijdens de volledige duur van het project. Meer bepaald gaat het om de informatie die wordt verstrekt bij de indiening van de jaarverslagen waarin de voortgang van het project wordt besproken;
  • deelnemen aan de raadplegingsprocedure van de lidstaten opgestart door de Europese Commissie bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van haar CEF-Transport programma.