Emissies en andere vervuiling

De verbranding van de brandstof in de luchtvaartuigmotoren is doeltreffend maar de emissies zijn afhankelijk van het toerental van deze motoren en stijgen met het aantal bewegingen op de luchthaven. Het grootste deel van de luchtvervuiling rond de luchthavens wordt veroorzaakt door het grondverkeer. De reactoren draaien stationair en dat veroorzaakt uitstoot van koolstofmonoxyde en onverbrande koolwaterstof als gevolg van een onvolledige verbranding.

De Internationale Luchtvaartorganisatie (ICAO) legt internationale normen vast inzake de rook en bepaalde verontreinigende gassen voor de nieuwe turboreactoren. Zij is ook gekant tegen de lozing van ruwe brandstoffen. De ICAO heeft de draagwijdte van haar beleid in verband met de impact van de emissies van de luchtvaartmotoren  op het milieu uitgebreid om de weerslag op wereldschaal van deze emissies ook op te nemen.

Op Europees niveau

De Europese Unie heeft de leiding genomen over de internationale initiatieven voor de vermindering van de broeikasgassen die door de menselijke activiteit worden veroorzaakt en die de klimaatomstandigheden op wereldschaal ernstig dreigen te veranderen. De regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten aangenomen in 2003 ligt aan de basis van de Europese strategie om deze uitstoot op optimale wijze uit een kosten-batenoogpunt te verminderen. Enerzijds moet de regeling een belangrijke doelstelling van de Europese instellingen op het  gebied van milieubeleid verwezenlijken, en anderzijds, concretiseert zij de verplichtingen die de Unie en haar Lidstaten sinds de jaren 1990 in het kader van de Verenigde Naties, namelijk in wat men noemt het Kyoto-protocol, hebben aangegaan.

De EG-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten geldt voor specifieke sectoren van de EU; haar toepassingsgebied werd vanaf 2012 tot de luchtvaartactiviteiten uitgebreid.

Op nationaal niveau

De overlapping van de federale en gewestelijke bevoegdheden werd benadrukt door het arrest nr. 33/2011 van 2 maart 2011 van het Grondwettelijk Hof. Dit besluit annuleert het decreet van het Vlaams Gewest van 8 mei 2009. De geannuleerde bepalingen blijven niettemin van kracht tot de inwerkingtreding van een regelgeving die zal ontstaan uit een samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de Gewesten. Dit samenwerkingsakkoord wordt getekend maar moet nu de instemmingsprocess volgen.

De bevoegde Belgische overheden (de Gewesten en de federale Staat) hebben aan de betrokken industriële installaties een bepaald aantal broeikasgasemissierechten toegekend. Elk jaar moeten de exploitanten van deze installaties aan de hand van een uitstootverslag bewijzen dat ze onder het plafond zijn gebleven. Deze regeling heeft als doel de groei van de uitstoot van broeikasgassen af te remmen en een zo rendabel mogelijke verwezenlijking van de noodzakelijke dalingen te waarborgen.

Het aantal emissierechten dat aan de luchtvaartuigexploitanten voor de periode van 1 januari 2012 tot 31 december 2012 wordt verleend, stemt overeen met 97%  van de historische uitstoot (gemiddelde van de uitstoot van 2004 tot 2006) en met 95% voor de tweede periode (2013-2020). Met een registersysteem volgt de FOD Volksgezondheid de toekenning, het bezit, de verhandeling en de annulatie van emissierechten.