Context

Internationale context

Bijlage 11 van het Verdrag van Chicago definieert de luchtverkeersdiensten evenals hun categorieën en bepaalt de normen en ’recommended practices’ om botsingen tussen luchtvaartuigen te voorkomen. Deze normen en ‘recommended practices’ hebben betrekking op:

  • de veiligheid en de efficiëntie van het luchtverkeer;
  • de vliegregels voor het zichtvliegen en instrumentvliegen;
  • de vormen van dienstverlening die moeten geleverd worden voor deze vluchten;
  • de samenwerking tussen de controlecentra en tussen de militaire en civiele overheden;
  • noodsituaties;
  • communicatie.

Europese context

Om te beantwoorden aan de noden en aan de toekomstige uitdagingen van het luchtverkeer en zijn vervoersindustrie, heeft de Europese Commissie eind 1999 het initiatief “gemeenschappelijk Europees luchtruim” gelanceerd. Dit vanuit de vaststelling dat, daar waar luchtvaart per definitie een grensoverschrijdende activiteit is, het beheer van het luchtverkeer nochtans georganiseerd is op een gefragmenteerde manier en hierdoor zijn efficiëntie verliest.

Om het luchtruim te kunnen beschouwen als een middel van algemeen nut, werden twee wetgevingspakketten aangenomen door het Europees Parlement en de Raad. Deze zogenaamde gemeenschappelijk Europees Luchtruim verordeningen I (SES I - 2004) en II (SES II – 2009) hebben als doel:

  • de verbetering en versterking van de veiligheid;
  • het luchtruim te herstructureren in functie van het verkeer en niet in functie van de grenzen;
  • het versterken van de huidige veiligheidsnormen en de globale efficiëntie van het algemeen luchtverkeer in Europa.

Om de militaire overheden erbij te betrekken, hebben de landen van de EU ook een algemene verklaring over militaire kwesties in verband met het gemeenschappelijk Europees luchtruim aangenomen.

Op basis van de binnen het Single Sky Comité overeengekomen mandaten, werden uitvoeringsverordeningen aangenomen in samenwerking met de internationale organisatie Eurocontrol.

FABEC context

De herstructurering van het gemeenschappelijk Europees luchtruim in functionele luchtruimblokken (FABs) - een engagement van de EU-lidstaten - is een van de meest zichtbare resultaten van de gemeenschappelijk Europees Luchtruim verordeningen.

Sinds 2006 hebben de civiele en militaire overheden van Duitsland, België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Zwitserland samen met de zeven in deze staten aangewezen verleners van luchtvaartnavigatiediensten, een haalbaarheidsstudie gelanceerd die toegelaten heeft om meerdere domeinen met potentieel te identificeren, nl.:

  • het behoud van het hoge veiligheidsniveau,
  • de verbetering van de efficiëntie van de vluchten,
  • de vermindering van brandstof en dus van uitlaatgassen.

Vervolgens hebben de civiele en militaire overheden van deze zes landen op 18 november 2008 te Bordeaux een intentieverklaring tot oprichting van het FABEC ondertekend. Tegelijkertijd hebben de verleners van luchtvaartnavigatiediensten van deze staten een overeenkomst gesloten die als basis dient voor de eerste fases van hun samenwerking.

Het FABEC-verdrag werd op 2 december 2010 te Brussel ondertekend door de ministers van Vervoer en door hoge militaire vertegenwoordigers van deze zes landen. Op die manier werd een gemeenschappelijk functioneel luchtruimblok tot stand gebracht om gezamenlijk het beheer van het luchtverkeer te organiseren onafhankelijk van de landsgrenzen. De zes landen engageerden er zich ook toe om passende maatregelen te nemen op het gebied van:

  • het luchtruim;
  • de harmonisatie van de regels en procedures;
  • het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten;
  • de civiel-militaire samenwerking;
  • de tarieven;
  • het toezicht;
  • de prestaties;
  • het bestuur.

Momenteel is de ratificatie van het verdrag lopende en zal het verdrag in werking treden twee maand na de neerlegging van het laatste bekrachtigingsinstrument. De door de Europese regelgeving voorziene termijnen geven de staten tijd tot 4 december 2012.

Anderzijds werd op 27 januari 2011 een samenwerkingsakkoord gesloten tussen de nationale toezichthoudende instanties (NSA) van deze zes staten met betrekking tot het toezicht op de verleners van luchtvaartnavigatiediensten.

Nationale context

In België is de voornaamste civiele aanbieder van luchtvaartnavigatiediensten het autonome overheidsbedrijf Belgocontrol. Deze levert plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten op de Belgische luchthavens en de ‘en-route’ diensten in het Belgisch luchtruim tot op vliegniveau (flight level) 245. Boven dit niveau worden de ‘en-route’ diensten geleverd door het Controlecentrum van Maastricht (MUAC – Maastricht Upper Area Control Center).

Comform de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zijn de taken van openbare dienst van Belgocontrol uitvoerig opgesomd in het beheerscontract tussen de Staat en Belgocontrol. Momenteel is het tweede beheerscontract, dat werd verlengd in afwachting van het afsluiten en het in werking treden van een derde beheerscontract, van kracht.

Het kader van de diensten uitgevoerd door MUAC is vastgelegd in:

  • de overeenkomst inzake de terbeschikkingstelling en exploitatie van installaties en diensten voor het luchtverkeer door EUROCONTROL in het luchtverkeersleidingscentrum Maastricht;
  • de bijlagen I, II en III.

Deze werden ondertekend te Brussel op 25 november 1986.

De BSA-ANS is de autoriteit die belast is met de certificering van en het toezicht op de aanbieders van de luchtvaartnavigatiediensten. Dit conform de Europese regelgeving en het koninklijk besluit van 20 november 2006 betreffende de certificatie van aanbieders van luchtvaartnavigatiediensten en tot de aanwijzing van aanbieders van luchtverkeersdiensten en meteorologische diensten.